Jhesus collacien (handschrift)
ca. 1625, Omgeving Mechelen-Brussel

Jhesus collacien (handschrift)De introductie van de boekdrukkunst was niet meteen de dood in de pot voor professionele kopiisten. In de eeuwen daarna werden nog steeds handgeschreven boeken gemaakt op bestelling, zoals dit manuscript uit het Brabant van de eerste helft van de zeventiende eeuw. Het werd waarschijnlijk gemaakt voor een gemeenschap van zusters Karmelietessen of Franciscanen. Het begint met Jhesus collacien of de Lelienstock, een cyclus van tweeënzeventig Middelnederlandse preken. Daarna komen sermoenen, gebeden, meditaties, traktaten en andere geestelijke teksten. Het handschrift is sober uitgevoerd, zonder miniaturen of penwerk. Om teksten gemakkelijk te kunnen vinden, zijn de opschriften, beginhoofdletters en trefwoorden met rode inkt geschreven.

Dit bescheiden maar uitzonderlijke boek was tot voor kort volkomen onbekend. In 2006 belandde een microfilm van het boek bij onderzoekers van het Antwerpse Ruusbroecgenootschap. Het was in Engels privé-bezit, maar het kon niet worden opgespoord. Tot het in 2013 werd geveild bij Christies in Londen. De Antwerpse universiteitsbibliotheek kocht manuscript aan en gaf het in bruikleen aan het Ruusbroecgenootschap.

, Mystieke dialoog in twee delen tussen Siele en Leraer (handschrift)
1641 Mechelen:

Dit bescheiden zeventiende-eeuws manuscript is voor fijnproevers. De tekst is geschreven in een fijne professionele hand, in één kolom en zonder decoratie. Dat past perfect bij het intieme karakter van de codex, die een intrigerende mystieke dialoog bevat. Het manuscript geeft een bijzondere kijk op het hoogstaande geestelijke leven in Mechelen, dat in 1559 een aartsbisdom was geworden. Uit de tekst blijkt een grote kennis van de mystieke klassiekers uit de veertiende tot de late zestiende eeuw.

Opmerkelijk aan dit handschrift is dat het gedrukte boeken lijkt te imiteren. Het omgekeerde dus van de eerste drukwerken uit de zestiende eeuw: die imiteren juist manuscripten. Het eerste blad is een titelblad en het handschrift eindigt ook in de stijl van een gedrukt boek, met een colofon.

, Litanie van de heylige maget en martelaresse Apollonia. Besondere patronersse tegen de tandt-pijne (grafisch en documentair materiaal)
[-1773] Antwerpen: Guilielmus Woons

Een litanie is een smeekgebed om genade, genezing of een geschenk. Een voorbidder doet een reeks aanroepingen die de aanwezigen beantwoorden met korte formules, zoals ‘bid voor ons’, ‘ontferm u over ons’ of ‘verlos ons Heer’. Aanvankelijk werd vooral God aangeroepen, maar in de middeleeuwen ontstonden litanieën gericht aan allerlei heiligen en voor uiteenlopende doeleinden.

Smeekgebeden werden onnoemelijk veel gedrukt, maar er zijn er maar weinig bewaard gebleven. In deze litanie voor genezing van tandpijn wordt de heilige Apollonia aangeroepen, ‘wiens tanden uytgetrocken ende uytgestooten zijn geweest’.

Smets, Servatius, Preken (handschrift)
ca.1640 Mechelen:

Voor de komst van kopieerapparaten en scanners was je gedwongen een tekst over te schrijven als je hem niet kon kopen als kant-en-klaar boek. Deze prekenbundel is een voorbeeld van zo'n zelfgemaakt privéboek. Servatius Smets (1590-1676) schreef de preken voor het klooster Thabor in Mechelen. Chatarina de Flouwijn, een zuster in dit klooster, noteerde ze in forse en duidelijk letters voor eigen gebruik. Door haar weinig elegante hand verschilt dit boek aanzienlijk van een professioneel gemaakt manuscript. Toch is er met zorg aan gewerkt, wat blijkt uit de vele rode beginkapitalen en versieringen die zijn aangebracht.

de Ferraiis, Albertus, De horis canonicis (oude druk)
[1485] Leuven: [de Westfalia, Johannes]

Dit is een incunabel of wiegendruk: een boek uit de vroegste periode van de boekdrukkunst. Incunabelen lijken nog heel sterk op handschriften. De boekdrukkunst was aanvankelijk alleen bedoeld om de zwarte broodtekst van boeken sneller te kunnen vermenigvuldigen. De eerste lettersnijders kozen dus niet voor niets voor het gotische lettertype dat veel gebruikt werd in scriptoria. Maar met zwarte tekst alleen had je volgens de normen van de zestiende eeuw nog geen volwaardig boek. Men was gewend aan kleurrijke elementen die de structuur van de tekst zichtbaar maken: rubricering (in rood aangebrachte opschriften), paragraaftekens en grote en kleine initialen die soms uitgebreid waren versierd. Al die elementen konden nog niet gedrukt worden en daarom werden ze achteraf met de hand toegevoegd. Hierdoor zijn exemplaren van de eerste boekdrukken vaak uniek. De mate van afwerking zegt bovendien iets over de draagkracht van de koper. Immers: hoe rijker de versieringen, hoe duurder het boek.

Richeome, Louis, De trois pelerins histoire tresbelle et tresutile (oude druk)
1614 (privilege) Antwerpen: Fickaert, Fransoys I

Pelgrimsverhalen waren erg populair in de vroegmoderne tijd. Behalve stichtelijk waren ze vaak spectaculair. Dat zullen de lezers zeker gesmaakt hebben. Dit Antwerpse boekje uit 1614 vertelt het pelgrimsverhaal van Theodose, Lazare en Vincent. Het is een verkorte versie van Le pelerin de Lorete van de Franse jezuïet Louis Richeome. Naast de spirituele ervaringen van het drietal gaat het over de exotische avonturen die ze beleven: ze zijn getuige van een slag tussen twee bijenlegers, ze hebben een aanvaring met bandieten en ze bekeren de rover Tristan. Het werkje staat duidelijk in het teken van de contrareformatie, de katholieke reactie op het protestantisme. Aan het einde van hun reis gaat Lazare in discussie met een Hugenoot (een Franse protestant). Deze plaatselijke baron gooit meteen zijn religieuze leven om. Aan het eind van het verhaal keert Lazare terug naar het huis van zijn vader en treedt hij samen met zijn broers in het klooster.

Jacobi, Heyman, Den schat der armen oft een medecijn-boecxken (oude druk)
1626 Antwerpen: Verdussen, Hieronymus I

Wat weten we over Heyman Jacobszoon? Niet veel eigenlijk. Hij was een ontwikkelde katholiek die rond 1600 in het noorden van Holland woonde. We kennen hem vooral van zijn schrijfgids Ghemeyne Send-Brieven uit 1597. Dat uitzonderlijk populaire boek beleefde tijdens de zeventiende eeuw de ene herdruk na de andere. Maar op Jacobi's conto staan ook twee geneeskundige volksboeken die in 1603 in Amsterdam het licht zagen.

Eerst verscheen Den cleynen herbarius, ofte: Cruyt-boecxken. Aan het eind van het jaar volgde de Schat der armen. Het eerste deel van deze gezondheidsencyclopedie geeft ons adviezen voor een goede nachtrust, een vlotte spijsvertering en de gevolgen van luchtverontreiniging — kennelijk ook toen al een bekommernis van artsen. Na een anatomisch overzicht van de verschillende lichaamsdelen volgt een uitgebreid alfabetisch compendium van remedies voor ziekten, kwaaltjes en ongelukken: van buikloop tot slechte adem, of wat te doen bij een schorpioenenbeet. Deze Antwerpse herdruk uit 1626 laat zien dat Jacobi's medische adviezen ook in het zuiden werden gesmaakt.

Bruynseels, August, De Belgen als slaven weggevoerd (moderne druk)
1916(?) Leiden: Futura

August Bruynseels was tijdens de Eerste Wereldoorlog afgevaardigde voor Nederland van kardinaal Mercier en lid van het Officieel Belgisch Comiteit voor Nederland. Dit comité was door de Belgische staat opgericht als koepel voor de talrijke verenigingen die zich bekommerden om de Belgische vluchtelingen in het neutrale Nederland. Mogelijk heeft Bruynseels deze bundel oorlogsdocumenten samengesteld als propaganda voor het Nederlandse publiek.

Onder de emotionele titel ‘De Belgen als slaven weggevoerd’ klaagt hij in de inleiding de Duitse schendingen van het oorlogsrecht aan: moord, brand en vernieling teisteren het Belgische land. Maar het absolute dieptepunt is volgens Bruynseels dat Duitsland de slavernij heeft ingevoerd, met deportaties van werklieden naar ‘Duitse concentratiekampen’. ‘Is dat het ideaal der Duitsche Kultur?’ Dan volgt een aantal vertaalde documenten die illustreren hoe kardinaal Mercier bij de Duitse gouverneur-generaal Moritz von Bissing probeerde te bemiddelen om een einde te maken aan de dwangarbeid. Zonder resultaat overigens.

Mertens, Frans Hendrik, Historisch album der stad Antwerpen: verzameling van gezichten en gedenkteekens van vroegere tyden (grafisch en documentair materiaal)
1868 Antwerpen: Buschmann

Jan Theodoor Jozef Linnig was een begenadigd schilder en prentmaker uit een Antwerpse kunstenaarsfamilie. In 1868 maakte hij de illustraties voor dit Historisch album der stad Antwerpen, samengesteld door Frans Hendrik Mertens. In het album vinden we bekende stadsgezichten: het Vleeshuis, het Steen en de Beurs. Maar Linnig gunt ons ook een blik op stukjes Antwerpen die inmiddels zijn verdwenen. De monumentale waterpomp op de Veemarkt bijvoorbeeld. De ruïnes van de Sint-Walburgiskerk, gesloopt in 1818. En de ingang van de Sint-Michielsabdij, die tijdens de Belgische Revolutie volledig werd verwoest. Van een rij houten gevels aan de Stoelstraat kunt u er één nog altijd gaan bewonderen. U vindt hem vandaag op nummer 11.

Van de Kerckhove (ill.), Reeks boekillustraties over de brand van de Beurs van Antwerpen in 1858 (grafisch en documentair materiaal)
1858 Antwerpen: Dela Montagne

De Antwerpse Handelsbeurs werd gesticht in 1531 en is de oudste ter wereld. In de loop van haar geschiedenis ging ze twee keer in de vlammen op. In 1583 brandde het laatgotische gebouw een eerste keer af. De beurs werd herbouwd naar de originele plannen. De open binnenruimte kreeg in 1853 een vooruitstrevende koepel in staal en glas, naar het voorbeeld van het Londense Crystal Palace. Maar deze overkapping was geen lang leven beschoren: al op 2 augustus 1858 sloeg het noodlot opnieuw toe.

Ook na deze tweede brand liet het Antwerpse stadsbestuur de beurs herbouwen in dezelfde stijl. In 1872 verrees het huidige gebouw, een eclectische combinatie van gotiek en ijzer-glas-architectuur. Na het sluiten van de Antwerpse effectenbeurs in 1997 was de zaal een paar jaar in gebruik als feest- en tentoonstellingszaal. Sinds 2003 is de beurs echter buiten gebruik vanwege... problemen met de brandveiligheid.

Dodoens, Rembert|Clusius, Carolus (contr.)|Jegher, Jean-Christophe (ill.), Cruydt-boeck Remberti Dodonaei, volghens sijne laetste verbeteringhe: met biivoegsels achter elck capitel, uyt verscheyden cruydt-beschrijvers: item, in't laetste een beschrijvinghe vande Indiaensche ghewassen, meest ghetrocken uyt de schriften van Carolus Clusius (oude druk)
1644 Antwerpen: Moretus, Balthasar II

In 1554 komt de eerste editie van het beroemde kruidenboek van Rembert Dodoens op de markt. Dodoens is op dat moment 37 en stadsgeneesheer in zijn geboortestad Mechelen. Bij Dodoens vinden we voor het eerst een systematische indeling van de plantensoorten. Hij schrijft in de volkstaal, zodat de doorsnee-apotheker hem kan begrijpen. Voor zijn tijd is hij ontzettend kritisch tegenover oudere bronnen. De gedreven botanicus houdt nooit op het met het verzamelen van gegevens voor zijn naslagwerk. Als Dodoens in 1585 overlijdt is hij docent geneeskunde in Leiden. Zijn overgeleverde notities geven aanleiding tot nog drie postume versies van het kruidenboek uitgegeven. Dit exemplaar uit 1644 is daarvan de laatste.

Wauters, Ignace-Lieven XVIII (ill.), Beschryvinge van het zeven honderdjaerig jubilé van den heyligen Macarius, bezonderen patroon tegen de peste, Het welk geviert zal worden binnen de stad van Gend hoofdstad van Vlaenderen, Te beginnen met den 30. Mey tot den 15. Juny 1767. (oude druk)
1767 Gent: Meyer, Jan

Begin 1012 wordt de stad Gent geteisterd door de pest. Rond Pasen bezwijkt in de Sint-Baafsabdij ook de Armeense monnik Macharius aan de ziekte. Met zijn dood stopt de epidemie — het is zijn laatste mirakel. In 1067 wordt Macharius heilig verklaard, een gebeurtenis die Gent zeshonderd jaar later herdenkt met een stadsfestival. In juni 1767 is het bijna de hele maand feest. De etsen in dit geïllustreerde festivalboek tonen onder meer de praalwagens in rococostijl die de vier elementen, de vier seizoenen en de vier werelddelen uitbeeldden.

Robinet, Th., Croix-Rouge de Belgique. Manuel de l’ambulancier (moderne druk)
s.d. Brussel: Croix Rouge de Belgique

Het Belgische Rode Kruis was slecht voorbereid op de stroom van gewonden die het gevolg was van de Duitse inval in augustus 1914. De organisatie moest zich hals over kop herpakken. Snel voldoende medisch personeel opleiden was een kwestie van leven of dood. Deze handleiding voor ambulanciers is waarschijnlijk in de vroege dagen van de oorlog verspreid. Het boekje is met de hand geschreven en waarschijnlijk vermenigvuldigd via een lithografisch proces. Vanaf 1916 werd het in een gedrukte vorm uitgebracht.

Vandervaeren, Julien, Les moteurs à vent: description des moulins à vent (handschrift)
1898 Leuven: Institut agronomique de Louvain

Tegenwoordig studeer je voor bio-ingenieur, maar in 1898 werd je ‘agronoom’. Julien Vandervaeren behaalde dat diploma aan het Institut agronomique de Louvain met deze handgeschreven thesis. Zijn rapport de fin d’études gaat over de toepassing van windkracht op boerderijen. Het verband met het landbouwwezen is soms wel ver te zoeken: het is vooral een stand van zaken van de windkrachttechnologie. Zijn diploma legde hem geen windeieren. Later vinden we zijn naam terug als professor aan het instituut en als kabinetschef bij het ministerie van Landbouw.

Versteeg, W. K., Scheepsmodellen 1700-1900: bevattende modellen van visschersschepen, vrachtschepen, schepen voor groote vaart, yachten, enz (moderne druk)
1947 Antwerpen: De Nederlandsche Boekhandel

Aan het begin van zijn carrière was W. K. Versteeg assistent van Emil van Konijnenburg, auteur van het omvangrijke naslagwerk De scheepsbouw vanaf zijn oorsprong (1897-1907). Het derde deel daarvan bevat kleurrijke tekeningen en dwarsdoorsnedes van historische schepen. Het werk van Versteeg bestond uit het opmeten en uittekenen van oudere scheepsmodellen. Daarvoor trok hij van scheepswerf naar scheepswerf. Zijn eigen boek over de scheepsbouw stelt hij op soortgelijke wijze samen, maar dan veel later, in de jaren 1940. Hij woont dan in Antwerpen, waar hij werkt als modelbouwer. Hij gaat in Antwerpen ook in het echt aan de slag en bouwt er twee kleine jachtschepen van het type hoogaars, een soort platbodem.

Albinus, Bernhard Siegfried|Wandelaar, Jan (ill.), Tabulae sceleti et musculorum corporis humani (oude druk)
1747 Leiden: Verbeek, Johannes|Verbeek, Herman

We kennen Bernard Siegfried Albinus vooral vanwege deze ambitieuze anatomische atlas uit 1747. Het boek beschrijft het menselijk lichaam met verhandelingen en tekeningen. Zowel het skelet als de spierstelsels zijn afbeeldingen van de ‘homo perfectus’, de ideale mens. Die was trouwens toevallig precies even lang als Albinus zelf.

De illustraties zijn van Jan Wandelaar, een Nederlandse kunstschilder, graveur en etser. De menselijke figuren zijn afgebeeld in landschappen en met elementen van klassieke architectuur. Dat was gebruikelijk: we zien dit al in de anatomische atlas van Vesalius uit 1543. Maar bij Wandelaar vinden we wel erg onverwachte zaken. Zo is op twee van de prenten een neushoorn afgebeeld. Het is Clara, een Indische neushoorn die in de achttiende eeuw door Europa reisde en blijkbaar ook op Wandelaar grote indruk maakte.

, Ordonnantie reghele ende maniere van levene omme de beghijnen (handschrift)
14de eeuw Gent:

Dertien begijnhoven zijn sinds 1998 door de Unesco erkend als werelderfgoed. Ze speelden vanaf de dertiende eeuw dan ook een rol van belang in het Vlaamse religieuze leven. Het Gentse Sint-Elisabethsbegijnhof vinden we niet op de Unesco-lijst. Het werd in 1243 gesticht en huisveste tot 1873 begijnen, alleenstaande vrouwen die samenleefden in een lekengemeenschap binnen de Rooms-katholieke Kerk. In dit documenten vinden we de statuten van ‘Sente Lisbetten’ zoals die op schrift werden gesteld in 1354, iets meer dan een eeuw na de oprichting dus. Ze worden gevolgd door een ratificatie door keizer Karel V uit 1532. Aan het opschrift op de kaft zien we dat het toebehoorde aan de grootmeesteres van het begijnhof.

, Die eerste bliscap van Maria (handschrift)
15de eeuw :

‘In de zevende hemel zijn’ is een van de talloze bijbelse verwijzingen naar het cijfer 7. Een ander voorbeeld zijn de zeven vreugdes en de zeven smarten van Maria. Ze leverden stof op voor schilderijen (van onder meer Hans Memlinck) en voor literatuur. Zo besliste de stad Brussel in 1448 om elk jaar een van de zeven ‘bliscappen’ van Maria als ‘mysteriespel’ te laten uitvoeren op de Grote Markt. In mysteriespelen werden verhalen uit de Bijbel op een levendige manier voor de gelovigen uitgebeeld. Helaas zijn van de Brusselse vreugdes alleen de eerste en de zevende bewaard gebleven: de boodschap van de engel en Maria's opneming in de hemel. Dit zijn overgebleven fragmenten van de eerste bliscap. Omdat er maar twee bronnen bekend zijn van de tekst, zijn ze erg belangrijk voor de geschiedenis van de Nederlandse literatuur.

van Maerlant, Jacob, Historie van Troyen (handschrift)
14de eeuw :

De ontvoering van Helena van Sparta, de mooiste vrouw ter wereld. Een belegering van een stad die meer dan tien jaar duurt. Een overwinning door een list met een houten paard. De geschiedenis van Troje blijft door de eeuwen heen tot de verbeelding spreken. Ook dertiende-eeuwer Jacob van Maerlant vond het zo indrukwekkend dat hij er meer dan veertigduizend versregels aan wijdde. Voor zijn grootste ridderroman baseerde hij zich op de Roman de Troie van Benoît de Sainte Maure. Van het werk van Van Maerlant is maar één volledig handschrift bewaard en dat dateert uit de vijftiende eeuw. Uit de veertiende eeuw kennen we alleen wat fragmenten, waarvan u hier de Leuvense ziet.

Erasmus Roterodamus, Desiderius, Commentarius Erasmi Roterodami in Nucem Ovidii, ad Ioannem Morum, Thomae Mori filium.: Eiusdem Commentarius in duo hymnos Prudentii, ad Margaretam Roperam Thomae Mori filiam (oude druk)
1530 Antwerpen: Hillenius, Michael

De humanisten Desiderius Erasmus en Thomas More waren zeer op elkaar gesteld. Ze hielden er een uitvoerige correspondentie op na. De Rotterdamse Erasmus droeg zelfs werk op aan de kinderen van More. De teksten in dit boek zijn voor More's zoon John en — heel opvallend voor die tijd — voor zijn oudste dochter Margareth. Ze waren in 1523 een kerstgeschenk en werden het jaar daarop uitgegeven door Johannes Froben uit Basel, eveneens een goede vriend van Erasmus. Er volgden tientallen herdrukken, waaronder deze Antwerpse editie van de pers van Michiel Hillen.

Raoux, P. (ed.), J. Breidel & P. De Coninc (1302-1887) (moderne druk)
1887 Brugge: Raoux

Slager Jan Breydel en wever Pieter de Coninc zijn bekende Vlamingen geworden door het toedoen van Hendrik Conscience. In 1838 verschijnt De Leeuw van Vlaenderen en die roman maakt van de twee Bruggelingen de populaire helden van de Guldensporenslag (1302). Later in de negentiende eeuw krijgen ze een standbeeld op de Grote Markt van Brugge. En hun verhaal wordt keer op keer opnieuw verteld. In dit boekje uit 1887 gebeurt dat in de vorm van een soort stripverhaal.

Mortier, Robrecht, Grafrijmpjes voor onze gesneuvelde jongens (moderne druk)
1924 Brussel: Standaard

Bij documenten uit de Eerste Wereldoorlog denken we vaak eerst aan dagboeken of kranten. Maar wat dacht u van deze collectie grafrijmpjes, geschreven door de jezuit Robrecht Mortier (†1958)? Hij schreef ze voor gesneuvelde Vlaamse soldaten. Het is niet duidelijk of de teksten ook werkelijk op graven stonden. Maar het werk was populair, want het werd verschillende keren herdrukt. Deze editie uit 1924 bevat een opdracht van de auteur, die achteraan nog een extra gedicht heeft toegevoegd.